"Nobradamus"

(1503-1566)

Lang, lang geleden leefde er in Eindhoven een vreemde man: Nobradamus. Deze zonderling hield zich bezig met zuipen en als een bezetene op een trommel rammelen. Na verloop van tijd raakte hij in een trance en zag dan allerlei visioenen. Omdat hij meende dat hij een goede dichter was maakte hij vier-regelige gedichten waarin hij zijn visioenen verwoordde.

Onlangs zijn er bij archeologische opgravingen nieuwe gedichten van Nobradamus gevonden. Wij vinden hem maar een rare snuiter, maar kunnen niet ontkennen dat er bij een aantal rijmpjes grote overeenkomsten zijn met dingen die er met de Banda en de leden in 2007 zijn gebeurd.

Daarom zijn hier... de rijmpjes van Nobradamus!


de engelse omroep niet meer
met een instrumententasje
samen met de lettermeneer
wandelen met een kasje


een van de konijnen
draagt op het werk een pet
om het te verfijnen:
handhaver van de wet


de tweede helft van het jaar
drie kinderen erbij
voorlopig is het klaar
en iedereen is blij


de leden zwart als roet
spelend op een boot
daarna een lange stoet
aan het einde half dood


de vrouw die iedereen kent
heeft nu een leuke meneer
samen met die vent
in het huis van de strijdheer


aan het einde van het jaar
honger als een paard
de rapen zijn dan gaar
eten bij de spanjaard


een groots opgezet loopfestijn
de band heeft veel plezier
de lopers hebben spierpijn
de band heeft cola en bier


een bal en een klomp op een stok
hangend schoppen naar een bal
daarna het eten van de kok
tot slot veel gezuip en gelal


een zeven, een twee, een zeven
een trommelaar in een mooi pak
hij gaat zijn jawoord geven
getrouwd maar niet onder de plak


twee vrouwen met jongensnamen
komen bij het groepje spelen
en is heel de club tesamen
dan hoeft niemand zich te vervelen


een doosje om mee te communiceren
geluiden worden doorgegeven
sommige dames en heren
lijken hiervoor te leven


de band kan het niet vinden
de dubbele voornaam ten spijt
bij de gouden voetbalvrinden
komen zij niet op tijd

muziek klinkt in de hofstad
op de dag van de koning
de band speelt iedereen plat
en groot is hun beloning

in de draden van de spin
heeft de groep zijn eigen plek
twee mannen zetten zich in
en maken het te gek

weg van pa en moe
dat doen de twee langoren
de een gaat naar de lampen toe
de ander naar een toren

ook de edelsteen gaat op pad
verlaat het platte dak
niet naar een andere stad
maar gewoon naar een andere plak

degene met acht poten
gaat opeens niet meer zo vlug
geen last van zijn noten
maar helaas wel van zijn rug

de schildpaddenmeneer
telkens op herhaling
steeds weer de eerste keer
ze nemen hem in de maling

Frappant he???